Franciscus Gomarus (1563-1641)

Franciscus Gomarus, de man naar wie onze school genoemd is, wordt op 30 januari 1563 geboren te Brugge. Zijn vader is Fransoys Gomaer en zijn moeder heet Johanna Moermans. Het gezin behoort tot de volgelingen van de reformatie, in die tijd de ‘nieuwe leer’ genoemd.

 

Vanwege de vervolgingen vlucht het gezin naar Frankfurt. Gomarus mag in Straatsburg gaan studeren, als voorbereiding op de studie theologie. In 1580 verhuist hij naar Neustadt an der Haardt, waar hij les krijgt van de reformatoren Zanchius, Ursinus en Junius. Ursinus is één van de opstellers van de Heidelbergse Catechismus. Twee jaar later woont Gomarus in Engeland en studeert hij aan de universiteiten van Oxford en Cambridge. Hier promoveert hij tot meester in de vrije kunsten en leert veel van Withaker, een leerling van Calvijn. In 1586 wordt hij predikant van een Nederlandse vluchtelingengemeente in Frankfurt. Hij moet in 1593 vertrekken, omdat er een slechte verhouding ontstaat met de Lutherse overheid. Hij besluit naar Leiden te gaan, waar hij beroepen is als hoogleraar aan de Academie.

Gomarus krijgt bekendheid in de Republiek vanwege zijn strijd tegen de opvattingen van Arminius. Hij verzet zich tegen de benoeming van Arminius te Leiden, maar die gaat toch door. In 1604 brandt de strijd los. Waar gaat het over? Arminius denkt anders over de uitverkiezing dan Gomarus. Arminius vindt dat de wil van de mens wel degelijk een rol speelt bij de keuze voor God. Gomarus verdedigt echter het leerstuk van de uitverkiezing. De grond van de zaligheid ligt helemaal buiten de mens. Een mens kiest niet voor God, maar God verkiest van eeuwigheid hen die tot geloof komen en werkt hun zaligheid. Gomarus zegt dat hij met de leer van Arminius niet voor de rechterstoel van God durft te komen. Op de Synode van Dordrecht (1618-1619) wordt uiteindelijk de leer van de verkiezing en verwerping beschreven in de Dordtse Leerregels. Gomarus is inmiddels verhuisd naar Middelburg. In 1615 verhuist hij naar Frankrijk. De laatste periode van zijn leven is hij hoogleraar in Groningen. Gomarus werkt nog mee aan de vertaling van de Bijbel uit de grondtalen, de zogenaamde Statenvertaling. Hij controleert samen met Revius de tekst van het Oude Testament. Hij sterft op 11 januari 1641.